Tijgers en honger
“Kijk naar mensen die tijgers als huisdier houden. Zelfs als ze lachen en spelen met hun huisdier, zijn ze er diep van binnen bang voor dat het zich plotseling tegen hen keert. Ze vergeten nooit hoe gevaarlijk tijgers zijn. Maar hoe zit het met mensen die hunkeren naar bezittingen en zichzelf verwennen met de ene aankoop na de andere? Zij zijn zich totaal niet bewust van enig gevaar. Terwijl een tijger alleen het vlees van een mens eet, en gierigheid zijn ziel kan verslinden.”
In deze spreuk contrasteert de boeddhistische leraar Han Shan de voorzichtigheid die mensen betrachten ten opzichte van een gevaarlijk dier zoals een tijger met de onachtzaamheid van degenen die hunkeren naar bezittingen. Hij verwoordt het eenvoudig en duidelijk, en het is heel gemakkelijk om zijn gedachte te accepteren, want natuurlijk zijn wij niet dwaas – wij hunkeren niet naar bezittingen. Of toch wel?
Een extreme vorm van hunkeren naar bezittingen zou de nerveuze consument kunnen zijn die eindeloos door de ene na de andere winkelwebsite scrollt en twee of drie keer per week pakjes van koeriers ontvangt. Maar ook als we niet zo’n overduidelijk beeld van obsessie vertonen; het kan ook zijn dat we niet verder kijken dan de beperkte horizon van de materiële wereld, die van fysieke vormen en zintuiglijke ervaringen om daar ons comfort, geluk en voldoening te zoeken. Door onze toevlucht te zoeken in onze gewoonten, gebruiken en objecten stellen we zonder het te beseffen ons vertrouwen in ons huisdier, terwijl we het betreurenswaardige feit over het hoofd zien dat het een tijger is.
De boeddhistische leer beschrijft verschillende rijken, zoals die van mensen, dieren, halfgoden, enzovoort. Een van die rijken is dat van de ‘hongerige geesten’, rusteloze wezens met een intense honger die ze niet kunnen stillen. Ze worden afgebeeld met opgezwollen buiken en een nek zo smal als een naald, waardoor hun buik nooit gevuld kan worden. In het boeddhistische denken biedt dit een beeld van de hunkering van verslaving, die niet alleen afhankelijk is van materiële zaken, maar van de materiële wereld in het algemeen. De honger is oprecht, maar we zouden kunnen zeggen dat de geest op zoek is naar het verkeerde voedsel – materiële in plaats van spirituele voeding. De onzichtbare, voedende geest is overal aanwezig, maar de smalle nek impliceert dat we niet gevoed kunnen worden tenzij we onze keel openen en accepteren wat beschikbaar is.
Op de lange reis van beperking naar volmaaktheid, die zich oneindig vaak herhaalt, al is elke herhaling individueel en uniek zoals een sneeuwvlok, is er een gemeenschappelijk patroon: we lijden en zijn ons niet bewust van de omvang van ons lijden; we beginnen het lijden te herkennen, maar zien niet wat de oorzaak ervan is; we beginnen de oorsprong van de pijn te zien en proberen ertegen te vechten; we ontdekken dat we zelf de oplossing van de pijnlijke situatie in de weg staan en die erkenning stelt ons in staat los te laten en de pijn achter ons te laten.
Spirituele zoekers zoeken verlichting in de vorm van Liefde – of Waarheid – of het Goddelijke Zelf, maar hoewel ze voortdurend zwemmen in datgene waarnaar ze verlangen, kunnen ze het niet binnenlaten, omdat ze het alleen verwachten in de vormen die ze hun hele leven hebben vertrouwd. Ze willen gevoed worden door hun huisdier, maar een tijger verandert zijn strepen niet; hij zal ons verslinden en niet andersom.
Om onze honger te stillen, moeten we onze verwachtingen loslaten en ons overgeven. Wanneer we ontdekken dat wijzelf het enige obstakel zijn, kunnen we onze keel ontspannen en de zegen ontvangen die het Enige Wezen wil geven. In de Gayan Soera’s lezen we: “Voorwaar, de zegen is voor elke ziel; want elke ziel, ongeacht geloof of overtuiging, behoort God toe.”
Vertaling Kariem Maas
Discover more from The Inner Call
Subscribe to get the latest posts sent to your email.
