Wij groeten u
Toen Hazrat Inayat Khan in 1919 Schotland bezocht, werd hem aan het einde van zijn toespraak in Edinburgh gevraagd iets te zeggen over hoe men in de wereld moet leven. Hij aarzelde aanvankelijk om te antwoorden en zei dat het principe dat voor de ene persoon geschikt was, misschien niet voor een ander geschikt was, maar de leerlingen drongen aan en verklaarden dat zij, aangezien zij hem volgden, zijn voorbeeld wilden hebben. Misschien verwachtten zij iets te horen over spirituele oefeningen of een morele code, of wellicht een gebedsschema of een voedingsregime, maar toen de Meester uiteindelijk instemde om op het onderwerp in te gaan, sprak hij eenvoudigweg over zijn houding ten opzichte van anderen. Hij zei: „In alle dingen bekijk ik de zaken zowel vanuit het standpunt van een ander als vanuit mijn eigen standpunt. Ik gun daarom iedereen vrijheid van denken, aangezien ik die zelf ook neem. Ik waardeer wat goed is in een ander en zie door de vingers wat ik als slecht beschouw. Als iemand zich egoïstisch tegenover mij gedraagt, neem ik dat voor lief, want het is menselijk om egoïstisch te zijn, en ik raak er niet door teleurgesteld. Maar wanneer ik zelf egoïstisch overkom, neem ik mezelf onder de loep en probeer ik mezelf te verbeteren… Ik wil vrienden worden met iedereen die ik ontmoet; als ik ze moeilijk vind, doe ik mijn best om hun vriendschap te winnen.”
Zijn woorden zijn eenvoudig en zacht, maar ze beschrijven een manier van omgaan met anderen die zo ruimhartig is dat die ons voorstellingsvermogen bijna te boven gaat. Om zo onbevooroordeeld en tolerant te zijn, moeten we weten dat we gedragen worden door liefde. Ook moeten we alle meningen en opvattingen terzijde schuiven die ons beperken en maken tot een klein en onbevredigend deel van het Oneindige. Het bij onszelf aanwakkeren van zo’n houding kan een heel mensenleven vergen.
We kunnen ook baat hebben van wat onze Meester gezegd heeft wanneer we het gebed Salat bidden. Deze prachtige aanroep van de Geest van Leiding begint met: ‘Allergenadigst Heer, Meester, Messias en Verlosser van de mensheid, wij groeten U in alle ootmoed.’ De groet is niet gericht tot een bepaalde profeet, maar tot de geest van alle grote zielen. Het vergt niet veel verbeeldingskracht om in te zien dat zij allen net zo’n gastvrije houding zouden hebben als Pir-o-Moershid Inayat. Deze opening van het gebed biedt ons daarom de gelegenheid om ten eerste een oprecht gevoel van nederigheid te ervaren – zeker een essentiële eigenschap als men oprecht wil bidden – en het opent ook een ruimte waarin wij ons zelf begroet mogen voelen. Gebed is geen eenrichtingscommunicatie; als we met ons hart luisteren, ontdekken we dat gebed een staat van gemeenschap opwekt, een intiem tweerichtingsgesprek – en dan, als we eerbiedig buigen, zouden we misschien de verwelkomende blik van de meesters kunnen ervaren. Net als Hazrat Inayat Khan wensen zij niets liever dan onze Vriend te zijn.
Vertaling Kariem Maas
Discover more from The Inner Call
Subscribe to get the latest posts sent to your email.

Wat mij bij het teruglezen van het volledige verslag uit 1919 bijzonder treft, is de vrijheid waarmee Pir-o-Murshid Hazrat Inayat Khan zijn antwoord omringt.
Voordat hij vertelt hoe hijzelf probeert te leven, maakt hij duidelijk dat wat voor de één passend is, niet noodzakelijk voor een ander passend hoeft te zijn. Hij spreekt dus niet alsof hij een algemene gedragscode wil opleggen, maar vertelt hoe hijzelf onder bepaalde omstandigheden probeert te handelen.
En aan het einde geeft hij de vrijheid opnieuw terug aan zijn toehoorders:
“Neem uit deze gedachten wat je het beste lijkt, en vergeet de rest.”
Juist daardoor krijgt voor mij ook zijn houding tegenover anderen extra betekenis: vrijheid ontvangen en vrijheid geven; bij de ander ruimte laten, en bij zichzelf bereid zijn tot zelfonderzoek en verbetering.
Misschien ligt daarin iets heel wezenlijks van spirituele vrijheid: niet dat niets ertoe doet, maar dat het voorbeeld uitnodigt zonder te dwingen.
Daarbij klinkt voor mij zacht een woord van Jezus mee:
“Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.”
— Matteüs 11:15
Mullah had zorgvuldig opgeschreven wat zijn meester hem allemaal had geleerd.
Toen kwam hij bij de laatste regel:
“Neem wat je het beste lijkt, en vergeet de rest.”
Hij keek lang naar zijn aantekeningen.
Toen glimlachte hij.
“Zelfs hier,” mompelde hij, “moet ik blijkbaar zelf leren luisteren.”